
In J&R worden we geconfronteerd met de Melting Pot die New York is, en die symbool staat voor de hele Verenigde Staten. Na het kopen van een laptop gaan we naar de bovenverdieping (Apple), maar we moeten ondertussen onze rugzak in bewaring geven. Een vriendelijke zwarte man neemt deze taak op zich. Hij blijkt uit Jamaica te komen. Als ik hem vraag of hij zijn thuisland niet mist zegt hij: "Oh, I miss it every day." Ooit hoopt hij genoeg geld gespaard te hebben om terug te keren. Wellicht en hopelijk heeft hij zijn kinderen de kans kunnen geven om de armoede te ontgroeien. New York loopt vol met zo'n mensen, arme sukkelaars uit de derde wereld, die naar deze stad komen om met een povere job een bescheiden dollar te verdienen - taxichauffeurs, kruiers, loketbedienden, venters, verkopers, ... Sommigen zijn al opgeklommen, zij konden een winkeltje openen, een kruidenierszaak, een vreemde anomalie in zo'n wereldstad, kruideniers die je vroeger bij ons in het dorp vond. De man ging uit werken, en de vrouw verdiende wat bij met een winkeltje van prullen en dingetjes.
Mensen die van onder willen beginnen, komen naar New York. Ze werken hard, en ze zijn vriendelijk, want hun tip hangt ervan af. Anderen willen niet zozeer werken, zij willen een graantje meepikken van de sociale herverdeelpot, zij komen naar Europa en hopen op een uitkering.
Heel juist dat Mia Doornaert eens schreef: New York is een derdewereldstad die gelukt is.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten